Blogs

Kraai

Kraai

Zieke kraai – Jan Mankes

Op het gras zat een gewonde kraai. Hij viel op doordat hij met gespreide vleugels laag over de grond sleepte. Hij probeerde langzaam vooruit te komen, zonder veel resultaat. Af en toe stopte hij, klapte z’n vleugels in en bleef zitten. Boven hem kraaiden zijn soortgenoten, hard en schel. Zouden ze hem moed toe kraaien? ‘Kom op jongen, je kunt het! Nog even doorzetten! Goedzo! Kra!’ Op dit stukje rondom het tankstation aan de snelweg barst het van de kraaiennesten, de bomen zitten er vol mee. Het is altijd een aanhoudend gekraai. Tijdens mijn dagelijkse wandeling door de buurt zijn ze een herkenbaar en niet onprettig onderdeel van de route, net als de shetlandpony’s op de smalle strookjes gras aan weerszijden van het viaduct.

Sommige mensen vinden kraaien enge beesten. Ze zijn zwart en kijken boos. Misschien is het de schuld van Dolf uit Alfred J. Kwak; de gemene pestkop, zoon van een merel en een kraai, die zich schaamt voor zijn gele snavel en die daarom zwart heeft geverfd. Maar de gewonde kraai die hier op het gras zat was geen Dolf. Hij zat er weerloos bij en had waarschijnlijk veel pijn en stress. Bij een nieuwe poging vooruit te komen viel het op dat er iets aan zijn rechterpootje hing. Een stukje ijzer, leek het wel. Een val? Het lipje van een colablikje? Het was verschrikkelijk om aan te zien. Een dier dat lijdt. In mijn hoofd schoten razendsnel de verschillende scenario’s voorbij: doorlopen en doen alsof ik niks gezien had, de vogelende kennis bellen of mijn moeder die vroeger een tamme kauw had gehad. Het werd de dierenambulance. Op mijn vraag of ze ook kraaien redden, viel een stilte. Ik omschreef de situatie. Aan de Lichtmisweg, achter het tankstation. Ja, ik woon in de buurt. Nummer 5a. Ik kan hem proberen in een doos te doen. Goed, daarna zal ik weer bellen.

Onderweg naar huis belde ik alsnog mijn moeder. Ze bevestigde mijn idee: een doos en werkhandschoenen zouden goed werken. Daarnaast nam ik nog twee tangen mee, om het stukje ijzer eventueel van het pootje af te halen. In mijn eentje zou het wellicht lastig worden om de kraai in bedwang te houden, misschien zou het wel helemaal niet lukken, maar dat zouden we dan wel zien. Het was in elk geval goed om goed voorbereid te zijn. En hoe sneller het beestje verlost kon worden van de pijn, hoe beter. Het vangen zou vast lukken met een grote doos om over hem heen te zetten en een platgevouwen doos om eronder te schuiven. Voor de zekerheid nam ik ook nog een schepnetje mee, wie weet zou dat nog van pas komen.

In de auto reed ik terug naar de plek waar de kraai had gezeten. Lopen met een zware doos met ongetwijfeld een wildbewegende en gestreste kraai was geen goed plan. In de auto kon ik zelfs meteen doorrijden naar het adres van de dierenambulance. Dan hoefden ze niet zelf te komen. Ik was er al eens eerder geweest om mijn doodgereden kat op te halen. Ik parkeerde de auto, pakte de spullen uit en liep naar de plek. Ik moest nog een slootje overspringen om op het stukje gras te komen. Hoe zou dat straks met de gevulde doos moeten?

Voorzichtig liep ik naar de plek waar ik de kraai had gezien. Ik zag niks meer. Misschien een stukje verder? Zou hij zich al naar de overkant hebben gesleept? Daar zat hij, verscholen tussen een stuk hoog gras. Langzaam tilde ik de doos op om over de kraai heen te zetten. Maar het had geen zin meer, de kraai vloog weg. Z’n vleugels deden het dus nog. Hij vloog niet ver; in de dichtstbijzijnde boom streek hij neer. Nu kon ik zijn pootje goed bekijken. Het was geen stuk ijzer, het was het pootje zelf dat er gek bij bungelde. Gebroken. Ik belde de dierenambulance opnieuw. Nee, aan een kraai in een boom die nog kon vliegen konden ze niks doen. Ze hadden geen ladder, en als ze die al zouden hebben, zou de kraai alsnog wegvliegen. Ik bleef nog een tijdje staan kijken. Het was duidelijk dat ik hem niet meer kon redden. Tijdens mijn wandelingen zou ik voortaan even eerbiedig naar de bomen kijken, denkend aan de gewonde kraai.